Copy
MUSEUM GESLOTEN MAAR NIET OP SLOT

Zoals bekend is het museum voorlopig gesloten. Alle vrijwilligers van de Locht missen het museum, de bezoekers en elkaar.
Zolang als het museum gesloten is vertellen vrijwilligers elkaar verhalen via e-mail, verhalen over het leven van toen, op het Noord-Limburgse platteland en het heden tot en met de moderne agri-business.

Bij een museum horen verhalen. Wij vertellen u graag enkele van deze verhalen. De vrijwilligers hebben deze verhalen al eerder mogen ontvangen.
Deze aflevering drie mooie verhalen. 
1. Van de nood een deugd gemaakt
2. Een dag van een boerenzoon
3. De wolf wordt een hype
Van de nood een deugd gemaakt

Vlak na de oorlog hadden de mensen het niet breed in Nederland, heel veel was vernield of kapot geschoten. Men had trauma’s van mensen die niet meer terug kwamen uit de concentratiekampen of van familie of vrienden die verongelukt waren.
Maar we moesten aan de toekomst denken. Bij ons op de boerderij in Ysselsteyn moest het bedrijf weer worden opgebouwd en het gewone dagelijkse leven moest weer op gang komen.


Mijn moeder zei vaak : “prakkezere kumpt vaan erm luuj”. En dat gebeurde ook!
Hier en daar was wel nog iets achtergebleven, restanten van het oorlogsgeweld. Er was een parachutist geland in de buurt. Moeder had vlug de parachute “ingepalmd”, je weet maar nooit, hoe het nog een keer van pas komt. Later werden er jurkjes of blouses van gemaakt voor de kinderen. Het stof was ijzersterk. Vlak na de oorlog werden er zelfs bruidsjurken van gemaakt.

Centrale verwarming was er natuurlijk nog niet. Alleen een fornuis in de keuken en een kolenkachel in de kamer. Wij moesten in de winter met onze koude voetjes onder de dekens, in een ijskoude slaapkamer, want de huizen waren nog niet geïsoleerd, zoals tegenwoordig. Maar mijn vader vond er iets op. Er lagen tientallen grote granaathulzen rond de boerderij. Vader ging er mee naar de smid in het dorp. Die soldeerde de huls aan een kant dicht en daar waar het slaghoedje had gezeten, werd een dopje ingedraaid met een ringetje er aan. Moeder vulde de kruik net voor het naar bed gaan met heet water en wij hadden een heerlijke warme kruik in bed.

Meelscheppen zoals tegenwoordig hadden we nog niet. Maar de varkens moesten wel meel over de aardappels gestrooid krijgen bij het voeren. Geen nood, we vonden een helm. Waarschijnlijk  afkomstig van een gesneuvelde militair. Deze heeft jaren als meelschep gediend.
Er zijn tientallen voorbeelden en ervaringen te noemen waarbij de achtergebleven spullen toch nog nuttig werden gemaakt. Zo was het gereedschapskistje van mijn vader ooit een munitiekistje.

“Prakkezere kumpt vaan erm luuj”.
De kruik is nog altijd te zien, ze ligt in de bedstee in Museum de Locht.
Een ander overblijfsel, uit een eerdere oorlog, is te vinden in de keuken. In een gietijzeren pot zit nog een oude kanonskogel, om mosterd fijn te malen.


Mia Litjens (oud vrijwilliger van de Locht)
Een dag van een boerenzoon (1954)

"Opstaan jongens!", roept mijn moeder onder aan de trap. Het is een zomerse dag in 1954. Ik ben 16. Mijn oudere broer en ik liggen in hetzelfde bed op zolder. Ik ben wakker. Na de tweede roep van moeder wordt hij ook wakker.

Ik sta op, was mijn gezicht beneden aan de pomp bij het aanrecht in de keuken. Staande (“op de vuist”) eet ik even snel een snee brood met stroop en drink een glas melk. Het is mijn taak om elke morgen de koeien in de wei te melken. Daarvoor moet ik 20 minuten fietsen van ons huis in de Zaar naar Heierhoeve (de Heierhäöf). Het is een smal zandpad. Vóór op de stang van mijn fiets heb ik een grote melkbus. Om de stang zit een zak, omdat de melkbus er anders steeds afglijdt.
 
Ik melk de vier koeien en fiets weer naar huis en ontbijt ik als laatste van het gezin. Moeder vraagt of ik zo dadelijk even wat kippenmeel naar de kippen kan brengen. Het zijn enkele zakken van 50 kilo en het kippenhok is 75 meter sjouwen van waar de zakken staan. Ik sjor elke zak op mijn nek en loop er mee naar het kippenhok.
Vader roept al voor de volgende klus, "Kom even helpen met de sproeibuizen”. Dat zijn aluminium buizen van zes meter voor de beregening van de aardappelen. Ze moeten over het veld worden uitgelegd, aan elkaar worden gekoppeld en dan de pomp op de tractor weer aanzetten. Na vier uur sproeien moeten ze weer verlegd worden.
 
Moeder heeft inmiddels de kippen verzorgd en de varkens gevoerd. Vader is bezig met schoffelen. En tussendoor zet hij de spullen klaar zodat mijn broer op het land met het paard aan het werk kan. Mijn zus is ook aan het werk,  schoffelen of wieden. Moeder zorgt in de keuken voor het eten. Om twaalf uur wordt er gegeten en na het eten gaan de mannen een kwartiertje onder een boom liggen, terwijl moeder en zus de tafel afruimen en de afwas doen.

Om een uur is de rust voorbij en wordt er weer gewerkt op het veld, ook door moeder en zus; zij hebben eigenlijk geen pauze gehad. Er is alle dagen veel te doen. Om vier uur drinken we koffie en eten we brood, vaak in het veld of thuis in de keuken. Daarna ga ik nog een keer de sproeibuizen verleggen en dan weer naar de wei om te melken. Ik moet ook nog de drinkbak van de koeien vol scheppen uit de put. Thuis gekomen kan ik nog even helpen met het verzorgen van de kippen en de varkens (hokken uitmesten en vers stro er in).
 
Het avondeten staat rond acht uur op tafel. Dat kan ook een uur later zijn, als het erg druk is op het land. We eten vaak gebakken aardappels met spek en karnemelk, of brood. Na het eten gaan we allemaal op de knieën en moeder bidt de rozenkrans en de hele litanie. Ze doet dat terwijl ze ondertussen de tafel afruimt en de afwas doet! Als ze klaar is met haar werk komt ze er biddend op de knieën bij zitten. We sluiten samen af met nog een paar maal het “Onze Vader”, speciaal voor onze Heeroom in Indonesië en voor oom Sef die door de Duitsers in de oorlog is vermoord.

Bij mooi weer gaan we nog even bij de voordeur op de waterput zitten. En soms pakt  vader zijn mondharmonica en speelt heerlijke liedjes. In de verte hoor je het gekwaak van kikkers. Om tien uur naar bed.
 
Jan Huys

Streekkleding
 
In Openluchtmuseum de Locht gaan de vrijwilligers soms gekleed in kleding van vroeger, zoals bij het schoolproject: “Terug in de tijd”. “Moet ik me dáárvoor verkleden”, vroeg ik? Het riep een beetje carnavaleske gevoelens bij me op. Van Nelleke Hanssen mag ik dat nooit meer zeggen, we gaan dan in “dracht” corrigeert ze me meteen. In het begin had ik daar moeite mee, met die klederdracht, maar nu ben ik eraan gewend en ik merk, dat bezoekers de dracht zeer op prijs stellen. Je lijkt wel meteen stokoud, maar dat ben ik tenslotte ook, een oude oma, ik geniet ervan!

Eigenlijk moeten we spreken van streekdracht, want aan de kleding kun je zien uit welke streek iemand afkomstig is, soms zijn er zelfs plaatselijke kenmerken, zoals de kleding van Staphorst en Volendam. Ooit is de dracht gewone kleding geweest, maar omdat op het platteland de mode vaak achterbleef bij die van de stad, bleef de kleding langer behouden, om uiteindelijk een eigen leven te gaan leiden. De meeste klederdrachten behoren tot de verleden tijd. Noord-Limburg heeft ook een “dode” dracht, toch mogen er geen nieuwe elementen aan toegevoegd worden, zoals bijvoorbeeld een polshorloge.
De Noord-Limburgse dorpen waren gesloten gemeenschappen. Men kwam niet vaak buiten het dorp. Een uitstapje met paard en wagen naar bijvoorbeeld Lottum, om met de kermis een familielid te bezoeken was al een hoogtepunt.

De kleding was voor iedereen hetzelfde, slechts kleine afwijkingen werden geoorloofd. Er was verschil tussen zondagse- en daagse kleding. De zondagse kleding was over het algemeen zeer kostbaar en werd alleen gedragen om naar de kerk te gaan, bij bruiloften en priesterfeesten. Die kleding werd nooit gewassen en wanneer dat toch gebeurde, was “de zondag eraf”. Dan werd de kleding doorgeschoven en gebruikt als doordeweekse kleding, om uiteindelijk te eindigen als werkkleding. Alles werd afgedragen, er werd niets weggegooid. Vandaar er slechts weinig kledingsstukken van toen bewaard zijn gebleven. Wel gaf men kleding aan arme mensen. Als de mutsen wat ouder werden, ging men ze door de week dragen, bijvoorbeeld om naar de markt te gaan. Slechts een enkele vrouw droeg door de week een toer. De mutsen werden in een la van de kabinetkast of in een hoedendoos bewaard, goed verpakt in blauw papier om verkleuring door het licht te voorkomen.

Gouden sieraden hoorden bij de klederdracht, ze werden op zondag gedragen. Hier in Noord-Limburg op de arme zandgrond waren die beduidend minder kostbaar dan bijvoorbeeld de zware gouden oorijzers van de Zeeuwse kleiboeren. Rond 1900 droegen vrouwen een groot gouden kruis. Bij rijkere vrouwen was dit van zuiver goud en ze droegen het aan een gouden ketting, bij de overigen was het kruis verguld en het kruis hing dan aan een zwart lint.

Marlé de Laat

Ga voor meer verhalen
en voor een abonnement op de verhalenbrief
naar de website:
VERHALEN
Openluchtmuseum de Locht Broekhuizerdijk 16d 5962 NM Melderslo
Open: april t/m oktober 10.00 u. - 17.00 u.;
november t/m maart woensdag , zaterdag, zondag 10.00 u. - 17.00 u.
T 077-3987320 (best bereikbaar van 09.00 tot 12.00 u.)
info@delocht.nl - www.delocht.nl/